Congregatie

Voor de zorg aan de eerste  dove en blinde meisjes jongens in het Instituut deed Carton een beroep op drie jonge vrouwen. Zij werden de eerste postulanten van de Congregatie van de Zusters van de Kindsheid van Maria. De zusters werden in 1837 gekleed en een jaar nadien geprofest. Ze volgden een kloosterregel die door Carton zelf was opgesteld. In die regel was vastgelegd dat de zusters naast hun geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid ook een vierde gelofte moesten afleggen, met name “de kinderen, bijzonder de doofstomme en blinde, onderwijzen volgens de regel voorgeschreven door Zijne Hoogweerdigheid de Bisschop van Brugge”.


In 1840 kreeg Carton de mogelijkheid om de oude cisterciënzerinnenabdij van Spermalie aan de Snaggaardstraat aan te kopen. Samen met de zusters stichtte hij er in 1842 een meisjesinternaat en een kleuterschool. Tot 1880 hadden beide gemeenschappen, in de Spiegelrij en in de oude abdij, een eigen overste, ook al was het doven- en blindeninstituut op het einde van de jaren 1860 eveneens naar de Snaggaardstraat verhuisd. De twee zustercommunauteiten hadden tot na de Tweede Wereldoorlog weinig contact met elkaar. Hoewel ze vanaf 1880 geleid werden door één algemeen overste, bleven ze als twee gescheiden gemeenschappen naast elkaar wonen. 

De Congregatie van de Zusters van de Kindsheid van Maria ter Spermalie kwam in de laatste decennia van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw tot grote bloei. Het kloostereffectief klom gedurende het interbellum naar een hoogtepunt van 110 zusters, niet alleen verspreid over de twee gemeenschappen in Brugge, maar tevens over een aantal bijhuizen in de ruime omgeving.

De Zusters stichtten nieuwe zustergemeenschappen en apostolaatsinstellingen in Sint-Kruis (1886), Wenduine (1900), Nieuwmunster (1905), Assebroek (1908), Sluis (1934) en Sint-Michiels (1939). Het betrof een aantal kleuter- en lagere scholen, evenals een weeshuis, een rust- en vakantiehuis en twee instituten voor mentaal gehandicapten. 

Na het Tweede Vaticaans Concilie werd het religieuze en gemeenschapsleven van de Zusters van de Kindsheid van Maria gekenmerkt door vernieuwing, spirituele herbronning en een aanpassing van de regel. Op het vlak van het apostolaat besloot de congregatie, gestimuleerd door de toenemende vergrijzing van de kloostergemeenschap in de tweede helft van de 20ste eeuw, steeds meer leken bij het bestuur en de organisatie van de instellingen te betrekken. De instellingen werden tot aparte vzw’s omgevormd.

Ook de dienstverlening en/of het onderwijsaanbod bleven niet onveranderd. Zo evolueerde het Koninklijk Instituut Spermalie naar een ruimer opgevat medisch-pedagogisch instituut. In 1968 richtte de congregatie eveneens een "V.Z.W. Gehoor- en Spraakrevalidatiecentrum" op. In 1973 werden leken opgenomen in het bestuur ervan. De Hotelschool Spermalie werd opgericht in 1952. Het meisjespensionaat hield op te bestaan in 1957.